Het
Gescheurde Contract: Van de Blaren van de Wederopbouw naar de Kille
Schaduwmacht
Als
ik tegenwoordig de media erop nasla of het politieke theater in Den
Haag volg, bekruipt me steeds vaker een gevoel van diepe
vervreemding. Onze generatie — de naoorlogse generatie — ligt al
een tijdje onder een vergrootglas. We worden geframed als degenen die
'te groot wonen' of 'te veel bezitten'. Maar de werkelijkheid van hoe
wij zijn gevormd, en wat er met bloed, zweet en blaren is opgebouwd,
of loodzware
offers die zijn gebracht om dit land uit de klei te trekken, lijken
wel met opzet uit het maatschappelijke geheugen gewist.
Pensioenen en spaarpotten voor de oude dag verdampen en zelfs de AOW
is niet meer zo vanzelfsprekend. Alsof de oudjes parasiteren op de
samenleving wordt er stelselmatig vanuit de politiek een vreselijk
beeld gecreëerd van profiteurs met grijze haren die een ballast zijn voor
het systeem.
Vlak
na de Tweede Wereldoorlog was het maatschappelijke contract tussen
burger en politiek helder en ongeschreven. Er was één gezamenlijk
doel: de schouders eronder, het land opbouwen en zorgen dat ons
nageslacht het beter zou krijgen dan wij. Mijn grootouders hadden de
ontberingen van de Eerste Wereldoorlog, de Spaanse griep en de
Aardappeloproer en de
Tweede
Wereldoorlog
overleefd. Mijn ouders droegen de diepe schok en het trauma van de
Duitse bezetting met zich mee. Ik
hoef hier niet uit te leggen welke ellende het nationaal socialisme
had veroorzaakt destijds.
Toen zij na 1945 naar de stembus liepen, deden ze dat met een gerust
en hoopvol hart. Er was een blind, bijna heilig vertrouwen in het
landsbestuur. Men geloofde dat de overheid er zat voor het volk.
Maar
hoe leg je dat uit aan een nieuwe generatie? Het is een bijna
onmogelijke opgave. Als je wordt geboren op een aarde die bedekt is
met dertig centimeter water, dan weet je immers niet beter. Dan is
dat water jouw realiteit. Je kunt de droge grond niet missen als je
er nooit op hebt gelopen, hoe hard de oudere generaties ook roepen
dat het vroeger anders was. Het is net zo onvoorstelbaar als de
verhalen van mijn eigen grootouders, die door twee wereldoorlogen
heen waren geleefd. Ik hoorde hun verhalen tot vervelens toe —
verhalen die je niet op school kreeg — maar pas veel later drong de
rauwe betekenis echt tot me door.
Het
is diepgewortelde psychologie: een stap terug doen doet veel meer
pijn dan op de bodem geboren worden. En wij, de naoorlogse generatie,
zien dat we collectief die stap terug moeten doen, keer op keer.
Wanneer
ik mijn ogen sluit, ben ik weer dat jongetje in de jaren '60. We
woonden met een gezin van zeven in een piepkleine
Philips-arbeiderswoning. Pas op latere leeftijd begon ik te beseffen
dat ons gezin destijds in diepe armoede leefde. Dat is het
wonderlijke: destijds voelde dat helemaal niet zo. Wij hadden voor
ons gevoel niets te klagen. Luxe was een woord dat we niet kenden. Er
was geen badkamer, geen douche, en de wc was een houten hokje in de
achtertuin met een hartje in de deur. Onze 'wasmachine' was een
houten tobbe met een zwengel. We sliepen onder de dakpannen. Mijn
broers en ik in een tweepersoons bed dat maar net in de kamer paste
en de meiden op stapelbedden in een andere kamer. De jongste zus in
een klein bedje aan het voeteneind van het bed van onze ouders. En
als het vroor dan vroor het ook in onze slaapkamer. We gingen dan
slapen met kruiken die gemaakt waren van hulzen van kanonskogels. En
als er stuifsneeuw viel dan kwam dat tussen de pannen door naar
binnen. Een rijmspoor ’s morgens op de dekens van onze ademhaling.
Mijn
vader, een stratenmaker die ook in de Limburgse mijnen en aan de
productielijn van Philips had gezwoegd, was een man van de praktijk.
Hij klaagde niet; hij bouwde. Hij monteerde een elektromotor op de
zwengel van moeders houten wastobbe om haar werk lichter te maken.
Hij timmerde zelf een wc onder de trap en knutselde een douche in
elkaar in de achtertuin. Het water werd verwarmd via een fles
butaangas en een kleine geiser, waarvan het waterleidingwerk in de
winter onherroepelijk kapot vroor als we het niet op tijd aftapten.
De buren vonden een wc in huis destijds maar een 'onsmakelijk idee',
maar mijn vader keek vooruit. Hij verbeterde het leven van zijn gezin
met zijn eigen handen.
De
tucht en de tederheid van de keukentafel
Ons gezinsleven speelde zich af rond de grote tafel in de keuken. De voorkamer
met het glas-in-lood was koud en gereserveerd voor 'belangrijk
bezoek', zoals de pastoor en de kruik jenever. In de keuken deden we
ons huiswerk, speelden we spelletjes en hield moeder haar kroost in
het oog.
De
keukentafel was ons ontmoetingspunt. Daar werden wel en wee
besproken. Daar aten wij en daar werd voorgelezen uit boeken. Als het
seizoen aanbrak voor de oogst dan werkten wij samen aan die tafel.
De
hele familie hielp mee om de wintervoorraad veilig te stellen. Die
voorraad kwam vooral uit onze moestuin. Urenlang aan de
snijbonenmachine draaien of erwten doppen. En dat gebeurde allemaal
aan die grote keukentafel. De kelder stond vol met weckpotten vol
bonen, erwten en bieten uit eigen tuin en het aardappelhok was voor
de winter gevuld. De konijnen, kippen in de ren, de duiven en de geit
- en soms een varken - waren geen huisdieren, ze waren onze
voorraadkast. De kolenhokken werden gevuld met twee mud eierkolen en
briketten om de kachel 's nachts brandend te houden. Het was een
sober leven, strak geregisseerd door de seizoenen en het weer, maar
het bood een enorme geborgenheid. We wisten precies wat we aan elkaar
hadden.
Wanneer
het najaar aanbrak, moesten mijn broer en ik de moestuin in. Twee
spaden diep omspitten, zware stalmest erdoorheen jagen. Dat was
loodzwaar fysiek werk voor jonge benen. Maar we zeurden niet. We
deden het gewoon. Een bedankje was niet nodig; meehelpen hoorde
erbij. En als vader zei: "Ga
nu ook de tuin van de buurman omspitten, want die is slecht ter
been,"
dan liepen we met de spade over de schouder naar de buren. Zonder
gemaar. Dat
was de informele infrastructuur van onze gemeenschap: we pasten op
elkaar, we zorgden voor elkaar en we overleefden samen door liefde en
tucht, niet door grote woorden.
Dat
was de geest van toen. De hele samenleving deelde één
gemeenschappelijk standpunt: de schouders eronder om het vaderland in
te richten zodat ons nageslacht een beter leven zou hebben. Er werden
offers gebracht. Destijds had men nog een nagenoeg blind vertrouwen
in het landsbestuur, voor zover we destijds geïnformeerd konden
worden. Men liep met een gerust hart naar de stembus. We dachten dat
we samen aan dezelfde kar trokken.
De
omslag naar het papieren model
Mijn
vader bouwde met zijn handen, gedreven door de rauwe praktijk. Hoe
cynisch is het contrast met de wereld van nu. Dat solide fundament
van tucht en zelfvoorzienendheid is stapsgewijs ingewisseld voor een
kille managementmachine. Het onderwijs is opgeofferd aan ideologie en
bureaucratische regelzucht, wat resulteert in een stagnerend systeem
dat discipline uit het oog is verloren. Met de invoering van de
Mammoetwet in 1968 moesten we ineens 'nivelleren'. Iedereen moest
gelijke kansen krijgen. Een prachtig ideologisch streven, maar de
uitwerking was cynisch: in plaats van de lat hoog te leggen en
kinderen op te tillen, werd het onderwijs aangepast aan het
gemiddelde. Basisvaardigheden werden 'ouderwets'. Vandaag de dag zien
we de bittere realiteit: vijftienjarigen die functioneel analfabeet
van school komen.
Het
blinde vertrouwen van onze ouders is omgeslagen in een diepe,
gerechtvaardigde achterdocht vandaag
de dag. Het maakt
tegenwoordig immers niet meer uit op wie je stemt; de politieke koers
dendert onverstoorbaar dezelfde richting op. Het maatschappelijke
contract is niet zomaar gescheurd; het is door een kille,
ideologische elite ritueel verbrand
We
kijken naar een façade. Een schijndemocratie waarin de stem van het
volk vakkundig buitenspel is gezet. Het maakt tegenwoordig nagenoeg
niets meer uit wat de verkiezingsuitslag is; regeringen worden recht tegen de
verkiezingsuitslag in gevormd via achterkamertjes en coalitiedeals.
Gekozen ministers fungeren als passanten met een
'schoenstrikdiploma', terwijl een onverplaatsbaar overheidsbolwerk
van topambtenaren en lobbyisten via de achterdeur de lakens uitdeelt.
De
huidige politiek meet onze welvaart allang niet meer aan menselijk
welzijn, cultuur of gemeenschapszin. Alles wordt gereduceerd tot
kille statistieken: het Bruto Binnenlands Product (BBP) en abstracte
rekenmodellen. Als twee buren vroeger gratis voor elkaar kookten of
op elkaars kinderen pasten, telde dat voor de economie niet mee. Als
diezelfde buren nu allebei veertig uur of meer móeten werken om de
torenhoge vaste lasten te betalen, hun kinderen naar de commerciële
opvang brengen en eten bestellen via een app, 'groeit' de economie
met duizenden euro's. Maar de burger blijft achter met tijdsarmoede
en stress.
Ondertussen
is de overheid bezeten van regelzucht, terwijl ze haar kerntaken
heeft losgelaten. Vroeger kon een arbeider op één inkomen een
gezinswoning kopen en zijn gezin onderhouden. Vandaag de dag is een
huis onbetaalbaar geworden voor starters, die noodgedwongen tot hun
dertigste op een zolderkamer bij hun ouders blijven hangen. De
overheid bemoeit zich tegenwoordig met de kleinste details op de
vierkante meter. Je hebt bijna een bouwvergunning nodig voor een
windscherm op je eigen erf, of je moet betalen om in het bos te
wandelen. Maar haar grondwettelijke kerntaken, zoals volkshuisvesting
en bestaanszekerheid, heeft ze volledig uit handen gegeven. Dit
beleid is weggemoffeld achter internationale verdragen,
bureaucratische modellen en ongekozen ambtenaren. Zelfs rechters
bepalen tegenwoordig via gesubsidieerde actiegroepen het beleid. Een
perfecte politieke paraplu waar men zich achter kan verstoppen. De
afbraak van cultuur, bestaansrecht en het sociale vangnet wordt
zonder pardon uitgevoerd.
Het
loeiende luchtalarm van het debat
Wie
kritische vragen stelt of cijfers op tafel legt, wordt direct
strategisch gelabeld om de discussie dood te slaan.
Dit
is wat deze situatie pas echt destructief maakt, dat de ruimte voor
het vrije, nuchtere gesprek systematisch is vernietigd. Vroeger
schudden we elkaar de hand of streden we op de inhoud. Tegenwoordig,
als je de moed hebt om harde cijfers, fysieke realiteit of het
gezonde verstand van vroeger op tafel te leggen, word je niet meer
inhoudelijk bestreden. Men grijpt direct naar de effectiefste
censuurmethode van deze eeuw: het strategisch labellen. Of het nu
gaat over de mislukking van het onderwijsbeleid, de spagaat van jonge
gezinnen, de gigantische belastingen of de onhoudbare druk op de
woningmarkt: zodra je de vinger op de zere plek legt, rinkelen de
alarmbellen in de media en de politiek. Er wordt zóveel herrie
gemaakt dat het inhoudelijke gesprek onmogelijk wordt gemaakt.
Zodra
je zegt dat de keizer geen kleren aan heeft, loeit het
maatschappelijke luchtalarm. Je krijgt direct het etiket
'complotgekkie', 'extreem' of erger opgeplakt, puur om de discussie
dood te slaan en een verstikkende zelfcensuur af te dwingen. Het is
de ultieme reflex om de status quo te beschermen van een falend
systeem dat de rauwe, fysieke realiteit van de burger niet onder ogen
durft te zien.
Ik
bekijk dit alles tegenwoordig van een grote afstand, vanuit de
tropische hitte van São Luís in Brazilië. Al ruim 25 jaar. Het
agressieve klimaat hier vreet aan mijn oude cd-roms en harde schijven
— een stille herinnering dat technologie vergankelijk is. Maar mijn
externe geheugen, de duizenden handgeschreven en getypte verhaaltjes
die ik vanaf mijn tienerjaren heb bewaard, blijft veilig.
Zij
herinneren mij aan wie we waren en wat we hebben geleerd. Het was een
tijd zonder materiële luxe, maar met de absolute, onbetaalbare luxe
van verbondenheid, overgave en de liefde om samen te overleven. Geen
enkel modern rekenmodel, geen enkele (ongekozen) achterdeurpoliticus
kan die waarheid uitwissen. Het land is met onze handen opgebouwd, en
het zal pas stoppen als de fysieke realiteit zich niet langer laat
manipuleren door politieke spelletjes.
Phoenix
Pensador